maandag 26 september 2011

Kritische stemmen en koloniale contradicties

Het Congolese verzet tegen de kolonisatie was wijd verspreid en nam verschillende vormen aan. Gewelddadig verzet brak tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog sporadisch en gelokaliseerd uit (Pende-opstand 1931, mijnwerkers-staking in Elisabethstad in 1941, muiterij van de Openbare Weermacht in Luluaburg 1944). Na de Tweede Wereldoorlog heerste tot 1959 de zogenaamde 'pax belgica'. Dat neemt niet weg dat tot het einde van de koloniale periode passieve vormen van verzet of uitingen van een anti-koloniale tegen-cultuur veelvuldig voorkwamen (bv. kimbanguisme - Simon Kimbangu).


Simon Kimbangu




Kathedraal van de Jezuïetenmissie teKisantuNeder-Congo, gebouwd in de jaren 1930 (foto 2008).


Ook binnen het koloniale establishment zelf en voornamelijk in de missies gingen reeds vroeg kritische stemmen op, die vraagtekens plaatsten bij bepaalde aspecten van het Belgisch koloniaal bewind. Zo tekende binnen de Koloniale Raad in Brussel Octave Louwers reeds in de jaren 1920 actief verzet aan tegen de nog vaak brutale rekruteringsmethoden van de grote maatschappijen. Ook de stagnatie in de bevolkingsgroei - ondanks de opmerkelijke successen in de bestrijding van endemische ziekten zoals de slaapziekte - gaf aanleiding tot bezorgdheid. De geringe nataliteit op het Congolese platteland en de toenemende ontvolking van bepaalde streken werden typisch toegeschreven aan de ontwrichting van de traditionele levenswijze door de industrialisatie (arbeidsmigratie) en door de opgelegde plicht-culturen. Vele missionarissen trokken zich het lot aan van de stammen en dorpsgemeenschappen in hun missie-gebied en namen soms hun verdediging op tegen het koloniale bewind (bv. in vragen van land-eigendom).



De missies en sommige territoriale ambtenaren speelden ook een belangrijke rol in de uitgebreide etnografische, linguïstische en historische studie van de Congolese volkeren, en bouwden hierdoor een kennisschat op die ook vandaag nog van onschatbare waarde blijft. Zo richtte bijvoorbeeld pater Gustaaf Hulstaert (1900-1990) in 1937 op de missie van Bamanya, bij Coquilhatstad (het huidige Mbandaka), het tijdschrift 'Aequatoria' op dat zich tot vandaag wijdt aan de linguïstische, etnografische en historische studie van de Mongo-volkeren van het centrale Congo-bekken. Van officiële zijde werd in 1948 het Institut pour la Recherche Scientifique en Afrique Centrale (IRSAC) opgericht, dat belangrijke impulsen gaf aan het wetenschappelijk onderzoek in Belgisch-Kongo en in het Belgische mandaatgebied Ruanda-Urundi.
De koloniale overheid was er veel aan gelegen naar buiten toe een imago uit te stralen van een eensgezind, weldadig en conflictvrij bestuur, en van Belgisch-Kongo als een ware 'modelkolonie'. De triomfantelijke rondreis die de Belgische koning Boudewijn I door Belgisch-Kongo maakte in 1955 paste perfect in dit beeld (zie de documentaire film Bwana Kitoko). Uiteindelijk ontsnapte ook het Belgische koloniale bestuur niet aan het lot van elk koloniaal bestuur dat zichzelf een beschavingsmissie toekent. De opkomst van een groep relatief hoog ontwikkelde inheemsen ("évolués") ging de algemene ontevredenheid over de koloniale bevoogding kanaliseren in een effectieve onafhankelijkheidsstrijd.

zondag 25 september 2011

De koloniale beschavingsmissie, 1908-1960

De zelf-verklaarde 'beschavingsmissie' die de Belgische kolonisator zich in het vaandel had geschreven, ging de facto hand in hand met de economische ontsluiting. Bekering, onderwijs en gezondheidszorg waren doelen op zichzelf, maar dienden tegelijk ook de integratie van wat men toen de 'primitieve natuurvolkeren' noemde in een westers samenlevingsconcept en hun efficiënte inzetbaarheid in het westerse economische proces.


Woningen voor inlandse arbeiders, Prins Leopold-kamp, Union Minière du Haut Katanga, jaren 1920


De inspanningen op het vlak van onderwijs en gezondheidszorg waren niettemin indrukwekkend. Bij het einde van de koloniale periode kende Belgisch-Kongo, althans wat het lager onderwijs betreft, de hoogste scholarisatiegraad van heel Zwart-Afrika. Ook de uitbouw van de gezondheidszorg, met een relatief hoog aantal beschikbare ziekenhuisbedden en talloze dispensaria verspreid tot diep in het binnenland, was in vele opzichten voorbeeldig. Hoewel er in Belgisch-Kongo geen officiële 'colour bar' bestond - dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld Brits Oost- en Zuid-Afrika - vertoonde het Belgische koloniale bewind toch tal van racistische aspecten. In de belangrijkste steden werden vanaf de jaren 1920 zogenaamde 'buiten-gewoonterechtelijke centra' gecreëerd ('centre extra-coutumier'). De Congolezen die hier woonden waren niet onderworpen aan het gezag en de rechtspraak van hun stam of dorp van afkomst, maar werden tegelijk afgezonderd gehouden van het voor de blanken voorbehouden stadscentrum. Zo ontstonden in alle steden aparte inlandse wijken - ironisch genoeg aangeduid als 'le belge' - duidelijk afgescheiden van de blanke centra. In de meeste gevallen was het de zwarte inwoners strikt verboden 's avonds, na de arbeid, in de blanke woonwijken te vertoeven. Ook blanke winkels en eetgelegenheden waren tot in de jaren 1950 taboe voor de Congolezen.


De populaire strip Kuifje in Kongo, verschenen in 1931, geeft - zeker in de originele versie - een goed beeld van de toenmalige paternalistisch-racistisch gekleurde westerse houding tegenover het 'primitieve' Afrika.


Ziekenhuis voor de inlandse bevolking te Elisabethstad, jaren 1920.



Door de enge verwevenheid van de economische ontwikkeling en het 'beschavingswerk', en doordat staatsambtenaren, missionarissen en de blanke kaders van de grote maatschappijen mekaar op het terrein vaak hand-en-span diensten verleenden, is het beeld gegroeid dat Belgisch-Kongo de facto bestuurd werd door de drie-eenheid van Koning-Kerk-Kapitaal (de koloniale staat, de katholieke missies en de Société Générale).
De koloniale ideologie werd goed gevat door de slagzin van gouverneur-generaal Pierre Ryckmans (1934-1946): "Dominer pour servir" ("overheersen om te dienen"). Vanuit die optiek werd weinig of geen aandacht besteed aan de actieve ontvoogding van de Congolese bevolking. De kolonisator wist wat goed was. De inheemse bevolking had dan ook volstrekt geen inspraak in het bestuur. Aan deze bij uitstek paternalistische houding kwam pas in de jaren 1950 geleidelijk verandering. Vanaf 1953, en zeker na het bezoek van koning Boudewijn in 1955, pleitte gouverneur-generaal Léon Pétillon (1952-1958) voor de creatie van een 'Belgisch-Congolese gemeenschap', waarin beide bevolkingsgroepen op basis van gelijkheid zouden behandeld worden. De meest in het oog springende discriminerende maatregelen tegenover de Congolezen werden in de latere jaren 1950 ingetrokken (daaronder ook de mogelijkheid tot lijfstraffen met de 'chicotte' - een fijne zweep uit nijlpaardenhuid). In 1957 werden voor het eerst lokale verkiezingen georganiseerd in enkele grote steden - Leopoldstad, Elisabethstad, en Jadotstad - waarbij ook de zwarte bevolking haar stem kon uitbrengen.
Pierre Ryckmans, gouverneur-generaal van Belgisch-Kongo, woont de inhuldiging bij van het monument ter ere van Koning Albert I, Leopoldstad 1938

Ook op onderwijsgebied was een bevoogdende houding toonaangevend tot in de jaren 1950. Het lager onderwijs werd volledig overgelaten aan de katholieke missies en kende, zeker na de Eerste Wereldoorlog, een sterke uitbreiding. Daarnaast ging de aandacht bijna uitsluitend uit naar de beroepsvorming en praktisch onderricht. Het was immers van belang voldoende geschoolde klerken voor de administratie en vaklui voor de industrie te vormen. Op taalkundig vlak werd het gebruik van het Frans en van het Lingala, een commerciële lingua franca die via de Openbare Weermacht snel verspreiding vond, gepropageerd. Aan secundair onderwijs werd tot na de Tweede Wereldoorlog nauwelijks gedacht, tenzij voor de opleiding van zwarte geestelijken. Universitair onderwijs was helemaal uit den boze. Ook toen de Katholieke Universiteit van Leuven in de late jaren 1920 haar activiteiten in Belgisch-Kongo opvoerde - onder meer door de oprichting van een 'Fondation médicale de l'Université de Louvain au Congo' (FOMULAC) in Kisantu en elders - bleven de afstudeermogelijkheden voor zwarte studenten beperkt tot medisch assistent of assistent-agronoom. De universiteiten van Brussel en Luik ontplooiden gelijkaardige initiatieven in de kolonie. Toch werd pas in 1954 de eerste volwaardige universiteit in Belgisch-Kongo geopend: de katholieke universiteit Lovanium in Kimwenza bij Leopoldstad. In 1956 volgde een officiële universiteit in Elisabethstad. Tot aan de (onvoorziene) onafhankelijkheid in 1960 restte er bijgevolg nauwelijks tijd om een inheemse elite te vormen.

zaterdag 24 september 2011

Economische koloniale politiek, 1908-1960

De Belgische koloniale politiek van 1908 tot 1959 streefde in feite twee hoofddoelstellingen na: de economische ontsluiting ('mise en valeur') en de 'beschavingsmissie'. De economische ontsluiting werd vooral na de Eerste Wereldoorlog krachtdadig aangepakt. De mijnsector (voornamelijk koper en kobalt in Katanga, diamant in Kasai, goud in Ituri) en de transportinfrastructuur (spoorlijnen Leopoldstad-Matadi, Elisabethstad-Port Francqui) stonden daarbij centraal. Om het benodigde kapitaal aan te trekken, liet de koloniale overheid de grote privé-maatschappijen (voornamelijk de Société Générale) daarbij in grote mate vrij spel. Zo konden ze met de actieve steun van de territoriale administratie spotgoedkoop de nodige arbeidskrachten rekruteren in het Congolese binnenland, wat in vele gevallen neerkwam op verdoken dwangarbeid. Ook op landbouwgebied stimuleerde de koloniale overheid een ingrijpende rationalisatie van de productie. De zogenaamde 'terres vacantes' - de gronden die niet aanwijsbaar in gebruik waren van de inlandse stammen - vielen automatisch aan de staat toe, die ze dan vaak in concessie toewees aan Europese maatschappijen of individuele blanke uitbaters (colons). Zo ontstond een uitgebreide plantage-economie (rubber, palmolie). Tegelijk werd na de Eerste Wereldoorlog ook het systeem van de verplichte culturen ingevoerd, dat de Congolese landbouwers dwong bepaalde marktgewassen (katoen, koffie) te telen voor de Europese markt. Territoriale ambtenaren en staats-agronomen werden belast met het toezicht en het bestraffen van Congolese landbouwers die zich aan de gehate plicht-culturen trachtten te onttrekken. De inschakeling van de inheemse bevolking in het kapitalistische productieproces speelde ook een belangrijke rol in de verspreiding van de geldeconomie in Belgisch-Kongo. Vermits de staat belastingen wenste te heffen (Belgisch-Kongo moest immers een zichzelf bedruipende operatie zijn die de Belgische belastingbetaler niets mocht kosten), had hij er ook baat bij dat zoveel mogelijk Congolezen geld konden verdienen door hun arbeid of het product van hun arbeid te verkopen ten dienste van de koloniale economie.
Rwandese arbeiders in de Kisanga-mijn, Katanga, jaren 1920



De explosieve economische ontwikkeling van de jaren 1920 maakte van Belgisch-Kongo één van de grootste kopererts-producenten ter wereld (in 1926 exporteerde de Union Minière du Haut Katanga meer dan 80.000 ton kopererts, waarvan een belangrijk deel in Hoboken in België verwerkt werd). In 1928 bracht koning Albert I een bezoek aan Belgisch-Kongo om de spoorlijn Bukama-Port Francqui officieel te openen - het sluitstuk in de 'voie nationale' die toeliet het kopererts vanuit Katanga tot de Atlantische Oceaan-haven van Matadi te transporteren. De economische crisis van de jaren 1930 trof de Congolese economie echter bijzonder hard omwille van de ineenstorting van de internationale vraag naar grondstoffen en landbouwproducten. De tewerkstelling in de Katangese mijnindustrie halveerde op enkele jaren tijd. Vanaf het einde van de jaren 1930 tekende zich een langzaam herstel af. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de productie dan weer gevoelig opgevoerd en afgestemd op de geallieerde oorlogsinspanning (met als bekendste voorbeeld het uranium van de Shinkolobwe-mijn dat door de Union Minière aan de Amerikanen werd geleverd voor de productie van de eerste atoombommen, afgeworpen op Hiroshimaen Nagasaki - Manhattanproject). De sociale prijs van de oorlogsinspanning werd voornamelijk betaald door de inlandse bevolking. Zo kwam het in december 1941 in Elisabethstad tot een bloedige confrontatie tussen stakende mijnwerkers van de Union Minière en de ordestrijdkrachten waarbij tientallen doden vielen.
Koloniale propaganda rond 1920.



Na de Tweede Wereldoorlog besloot de overheid zich directer te engageren in de economische ontwikkeling van de kolonie, en ook nieuwe accenten te leggen, voornamelijk inzake sociale woningbouw, energievoorziening en gezondheidsinfrastructuur. In 1949 werd een ambitieus tienjarenplan gelanceerd dat mee aan de basis lag van een sterke economische groei in de jaren 1950, waarvan voor het eerst ook bredere Congolese bevolkingslagen begonnen te profiteren. Pas in 1953 werd de Congolezen het recht verleend in eigen naam onroerende privé-eigendom te verwerven - een recht waarvan meteen gretig gebruik werd gemaakt. Vooral in de grotere steden (Leopoldstad, Elisabethstad, Stanleystad, Luluaburg, etc.) begon zich geleidelijk een weliswaar nog beperkte Congolese middenstand te ontwikkelen.

Het vroegere filiaal van de Bank van Belgisch-Kongo in Coquilhatstad - nu Mbandaka (foto 2008).

Uitvoer van Belgisch kapitaal naar Congo: totale Belgische directe investeringen in het buitenland (FDI) en in Congo, 1890-1939. Jaarlijkse gemiddelden, in miljoen BEF, lopende prijzen.
periodeFDI TotaalBelgisch-Kongo
1891-1900129,611,9
1901-1910119,413,3
1914-1920152,672,5
1921-19301.358,8786,8
1931-193970,858,8

Aandeel van Congo in de buitenlandse handel van de BLEU (Belgisch-Luxemburgse Economische Unie), 1890-1990.[8]
jaarAaandeel import vanuit Congo in totale import BLEUAandeel export naar Congo in totale export BLEU
18900,210,51
19002,070,59
19101,850,70
19201,430,45
19303,812,65
19398,181,69
19507,573,70
19558,194,65
19606,671,56
19704,080,98
19801,720,40
19900,700,28
Spoorwegennet (zwarte, grijze en beige lijnen) en bevaarbare waterwegen (paarse lijnen) in Belgisch-Kongo, 1889-1960 (kaart vriendelijk ter beschikking gesteld door de heer Albert Sarlet)


Belgische kolonie

Op 18 oktober 1908 stemde de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat van de Belgische staat ermee in om Kongo-Vrijstaat te annexeren, nadat Leopold II zijn laatste hoop om er een uitgestrekt Kroondomein in privé-bezit te houden eindelijk had opgegeven. Het gebied werd vanaf dat moment Belgisch-Kongo genoemd.
Vroegere residentie van de gouverneur-generaal van Belgisch Congo te Boma, 1908-1926 (foto 2008)


De kolonie werd bestuurd op basis van het Koloniale Charter (1908). De Belgische minister van Koloniën, benoemd door de Koning en bijgestaan door een Koloniale Raad (Conseil Colonial), vormde de hoogste uitvoerende macht voor de kolonie. De minister en de Raad zetelden beide permanent in de metropool (Brussel). Het Belgische parlement vertegenwoordigde de hoogste wetgevende macht. De hoogste vertegenwoordiger van de koloniale administratie in de kolonie was de gouverneur-generaal. Van 1886 tot 1926 zetelde die in Boma, vanaf 1926 in de nieuwe koloniale hoofdstad Leopoldstad. Belgisch-Kongo was aanvankelijk administratief ingedeeld in vier provincies: Leopoldville (of Congo-Kasai), Equateur, Orientale en Katanga. Aan het hoofd van elke provincie stond een vice-gouverneur-generaal. De administratieve hervorming van 1932 bracht het aantal provincies op zes, elk bestuurd door een provincie-gouverneur. De ruggengraat van de koloniale administratie vormde de zogenaamde territoriale dienst. Iedere provincie was ingedeeld in een aantal districten (24 in totaal), en ieder district in gewesten (territoires), aan het hoofd waarvan telkens een gewestbeheerder stond, bijgestaan door één of meer assistent-gewestbeheerders. De gewesten waren verder onderverdeeld in talrijke hoofdijen (chefferies), aan het hoofd waarvan de Belgische administratie 'traditionele chefs' (chef coutumier) aanstelde. De gewestbeheerder en zijn assistenten werden geacht hun gebied - vaak uitgestrekter dan een Belgische provincie - geregeld te inspecteren en maakten jaarlijkse verslagen op voor de provinciale administratie. Inzake rechtspraak bestond er naast een Europees gerechtelijk apparaat ook een stelsel van inlandse rechtbanken (tribunaux indigènes), voorgezeten door de traditionele chefs, maar steeds onder de controle van de koloniale administratie. De orde in de kolonie werd gehandhaafd door de Openbare Weermacht (Force Publique), een lokaal gerekruteerd leger onder Belgisch commando. Pas in de jaren 1950 werden ook metropolitane troepen, dat wil zeggen eenheden van het Belgisch leger, in Belgisch-Kongo gelegerd - onder meer in Kamina.
Koning Albert I en koningin Elisabeth bezoeken het militaire kamp van Leopoldstad tijdens hun reis doorheen Belgisch-Kongo, 1928.



De koloniale staat - en bij overdracht elk gezag uitgeoefend door de blanken in Belgisch-Kongo - werd door de inlanders aangeduid met de term "bula matari".Bula matari, of "breker van stenen", was de bijnaam die oorspronkelijk aan Stanley was gegeven, omdat die bij de aanleg van de eerste wegen veelvuldig gebruik liet maken van dynamiet om de rotsen te verbrijzelen (in het bijzonder in het heuvelachtige en moeilijk toegankelijke Neder-Congo, tussen Matadi en Leopoldstad). Overdrachtelijk verwijst de term bula matari naar de onweerstaanbare en dwingende kracht van het koloniale gezag.
De overname van Congo door België werd enerzijds gekenmerkt door continuïteit. Zo bleef de laatste gouverneur-generaal van de Kongo-Vrijstaat, baron Wahis, in dienst als gouverneur-generaal van Belgisch-Kongo, en met hem het merendeel van de oude administratie. Ook bleef de klemtoon duidelijk liggen op de economische ontsluiting van het massieve Congo-bekken, en in het bijzonder van het ertsrijke Katanga (dat bovendien tegenover al dan niet vermeende Britse aanspraken diende verdedigd te worden). Tegelijk werden ook min of meer ingrijpende veranderingen doorgevoerd. Zo werd de ongebreidelde en vaak gewelddadige economische exploitatie, waar voornamelijk de private concessie-maatschappijen zich schuldig aan maakten, enigszins ingetoomd. Het Koloniale Charter verbood expliciet elke vorm van dwangarbeid. In de realiteit echter bleef dwangarbeid, in verschillende vormen en gradaties, voorkomen tot na de Tweede Wereldoorlog. Wel werden geleidelijk meer middelen vrijgemaakt voor onderwijs en gezondheidszorg.

Aantal Belgen residerend in Belgisch-Kongo, 1900-1959
jaarBelgen
19001.187
19101.928
19203.615
193017.676
193917.536
195039.006
195569.813
195988.913
Belgisch-Congo was direct betrokken in de beide wereldoorlogen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd een langdurige pat-stelling tussen de Openbare Weermacht en het Duitse koloniale leger in Duits Oost-Afrika doorbroken door een gezamenlijk Brits-Belgisch offensief in 1916. De Openbare Weermacht onder het bevel van generaal Tombeur behaalde een belangrijke overwinning door de verovering van Tabora (in het huidige Tanzania) in september 1916. Na de oorlog werd België beloond voor de deelname van de Openbare Weermacht aan de Oost-Afrikaanse campagne: het verwierf van de Volkerenbond een mandaat over de voormalige Duitse kolonie Ruanda-Urundi. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, was Belgisch-Congo een cruciale inkomstenbron voor de Belgische regering in ballingschap in Londen. De Openbare Weermacht nam opnieuw deel aan de geallieerde campagnes in Afrika. Congolese troepen onder Belgisch commando vochten voornamelijk tegen het Italiaanse koloniale leger in Ethiopië.


Belgisch-Congo


Belgisch-Kongo werd op 15 november 1908 een Belgische kolonie. Voordien was het gebied sedert 1885 geregeerd als soevereine staat - of veeleer als "privé-kolonie" - door de Belgische vorst Leopold II, onder de naam Kongo-Vrijstaat.

Met het voorbeeld van Nederlands-Indië voor ogen, geloofde Leopold rotsvast dat koloniale bezittingen een belangrijke bron van inkomsten en van internationaal prestige zouden zijn voor zijn kleine land en voor de dynastie. België, als relatief jonge en neutrale staat, toonde weinig begeestering voor Leopolds koloniale dromen, en daarom nam de even ambitieuze als koppige vorst zelf het initiatief.

Door een nauwe samenwerking met de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley en dankzij een handige diplomatie verkreeg Leopold II internationale erkenning van zijn Kongo-Vrijstaat (door een reeks bilaterale verdragen gesloten tijdens en na de Conferentie van Berlijn van 1884-85). De ontsluiting en ontginning van dit onmetelijke gebied was aanvankelijk een zwaar verlieslijdende onderneming, ook voor de vorst persoonlijk. Toen echter aan het einde van de 19de eeuw de winning van rubber snel aan belang won, voornamelijk voor de opkomende automobielnijverheid, keerde het tij. De enorme winsten uit de rubber- en ivoorhandel wendden een staatsbankroet af en lieten Leopold II toe grote werken te bekostigen ter verfraaiing van België en ter verheerlijking van de dynastie (onder meer de Halve-eeuwfeest-triomfboog in Brussel, het Koloniaal Paleis in Tervuren en de koninklijke promenade in Oostende).
In geen tijd werd de Kongo-Vrijstaat het toneel van een ware bonanza, waarbij de concessie-maatschappijen en de overheid zelf op steeds driestere wijze steeds hogere winsten nastreefden, zonder enig respect voor de inlandse bevolking. Zo mondde het beleid van Leopold II, althans in de kerngebieden van de rubber-winning (onder meer in het noord-westen langsheen de Congo-stroom), uit in een waar schrikbewind, gekenmerkt door brutale dwangarbeid en meedogenloze repressie. Arbeiders die de opgelegde quota niet vervulden of die de onmenselijke werkomstandigheden ontvluchtten, werden zwaar bestraft, vaak mishandeld - tot het afhakken van de handen toe - of zelfs standrechtelijk gefusilleerd. De brutale ontwrichting van de op pluk en jacht gerichte gemeenschappen in het gebied van het evenaarswoud leidde bovendien tot een scherp dalende nataliteit, terwijl de snelle verspreiding van voorheen lokale of vanuit het westen geïmporteerde ziekten de mortaliteit omhoog joegen.
De schattingen over het totaal aantal slachtoffers variëren aanzienlijk. De Britse diplomaat Roger Casement heeft het over drie miljoen tijdens een periode van twaalf jaar. Peter Forbath noemt ten minste vijf miljoen. Adam Hochschild spreekt van tien miljoen en de Encyclopædia Britannica spreekt van een totale bevolkingsafname van twintig tot dertig miljoen naar acht miljoen. Min of meer precieze schattingen zijn onmogelijk, omdat gegevens over de bevolkingsdichtheid in het 19de eeuwse Congo grotendeels ontbreken.
Dat de bevolkingsafname dramatisch was staat buiten kijf. De misbruiken die tijdens de exploitatie van de Kongo-Vrijstaat op grote schaal voorkwamen zijn deels goed gedocumenteerd. Ze gaven aanleiding tot een heftige internationale campagne gericht tegen het bewind van Leopold II. Vooral de Britten Roger Casement en Edmund Morel met hun Congo Reform Association toonden zich hierbij actief. Joseph Conrads Heart of Darkness (1902) bespeelde op briljante literaire wijze hetzelfde thema. In 1904 zag Leopold II zich genoopt een internationaal samengestelde parlementaire onderzoekscommissie vrije toegang te verlenen tot de Kongo-Vrijstaat. Het rapport van de commissie (1905) bevestigde vele van de geformuleerde aanklachten. Het werd een belangrijk element om de overname van de Kongo-Vrijstaat door België te bespoedigen.